Wetgeving

Nieuw: gerechtelijke invordering

Sociale bescherming

Tien belangrijke wijzigingen

De Wet van 15 mei 2024 'houdende maatregelen in de strijd tegen de overmatige schuldenlast en ter bescherming van ondernemingen in moeilijkheden' voerde belangrijke wijzigingen door in het proces- en beslagrecht. Een deel trad in werking op 1 oktober 2024. Andere bepalingen moeten nog in werking treden. In dit artikel bespreken we de belangrijkste wijzigingen. We focussen ons op de bepalingen belangrijk voor de praktijk van de schuldbemiddelingsdiensten of met betrekking op natuurlijke personen (consumenten) die geen onderneming zijn. Dit zijn ze in het kort:  

  1. In bepaalde gevallen kan de rechter uit eigen beweging de verjaring van consumentenschulden inroepen.
  2. Onderwijsschulden, parageneeskundige en geneeskundige schulden behoren vanaf nu tot de exclusieve bevoegdheden van de vrederechter.
  3. De schuldenaar krijgt inzagerecht in al zijn gerechtsdeurwaarderakten.
  4. Gerechtdeurswaarders moeten verplicht een opleiding in bemiddeling te volgen.
  5. Er komt een begrijpbaar informatieblad bij bepaalde gerechtsdeurwaarderakten.
  6. Gerechtsdeurwaarders kunnen aansluiten bij een bestaand beslag en zo dubbele procedures vermijden.
  7. Bij een afbetalingsplan bevestigt de gerechtsdeurwaarder de afbetalingsafspraken. Zolang de schuldenaar die naleeft, volgen er geen invorderingsmaatregelen.
  8. De gerechtsdeurwaarder kan een deficitaire verkoop van roerende goederen na inbeslagname weigeren.
  9. De gerechtsdeurwaarder krijgt toegang tot meer informatie over de solvabiliteit van schuldenaars en kan zo het nut van procedures beter beoordelen.
  10. De wet stelt gerechtsdeurwaarders in staat om meer rekening te houden met lopende schuldafbouwtrajecten bij hun invorderingsprocedures.

1. Bevoegdheid rechter in verjaring van consumentenschulden

Al meer dan 200 jaar geldt in het verjaringsrecht het principe dat de rechter tijdens een gerechtelijke procedure niet ambtshalve de verjaring mag inroepen (artikel 2223 oud Burgerlijk Wetboek). De schuldenaar moet dit doen. Maar die weet vaak niet wat de toepasselijke verjaringstermijn is, wat stuiting en schorsing van de verjaring is, of komt niet opdagen op de zitting.

Vanaf nu kan de rechter, ook als de schuldenaar verstek laat, de verjaring wel zelf inroepen. Namelijk:

  • als de eis de betaling van een geldsom is, en
  • als de eiser een onderneming is en de gedaagde een consument.

2. Bevoegdheid vrederechter voor onderwijsschulden en medische schulden

Artikel 590 e.v. Gerechtelijk Wetboek vermeldt waarvoor de vrederechter exclusief bevoegd is. Bij vorderingen tegen een natuurlijke persoon die geen onderneming is, is de vrederechter voor onder andere consumentenkredietschulden, energieschulden, waterschulden en telecomschulden bevoegd — ongeacht de hoogte van het gevorderde bedrag.

Deze lijst is nu uitgebreid met:

  • onderwijsschulden (bij publieke en private onderwijsinstellingen, voor hoger en lager onderwijs)
  • geneeskundige of parageneeskundige schulden (bij artsen, paramedici, verpleging- en verzorgingsinstellingen, ambulancediensten)

3. Inzagerecht voor de schuldenaar in zijn akten in het CREA

Het CREA is een datatbank van elke akte, op papier of digitaal, die een gerechtsdeurwaarder heeft opgemaakt en betekend. Denk aan dagvaardingen, bevelen tot betalen, beslagen enz.

Vanaf 1 juli 2025 heeft elke schuldenaar het recht om zijn eigen akten in het CREA te raadplegen. De wet voorziet twee mogelijkheden:

  • Inzage via een gerechtsdeurwaarder
  • Rechtstreekse inzage via een informaticatoepassing zoals ItsMe, op voorwaarde dat die door een Koninklijk Besluit is uitgewerkt

Tot het centraal bestand van beslagberichten (CBB) had een geregistreerde al langer toegang via de Nationale Kamer voor Gerechtsdeurwaarders. Vanaf 1 juli 2025 kan die inzage op dezelfde manier als inzage in het CREA.

De online toegang tot het CREA en CBB kan met name via mijn akten en berichten.

De toegang tot het CREA is een stap vooruit, want je kan er de inhoud van de eigenlijke akten inzien. Dat is belangrijk voor schuldbemiddelingsdiensten. In het CBB zijn enkel de technische berichten beschikbaar.

4. Opleiding bemiddeling voor gerechtsdeurwaarders

De wet benadrukt vandaag nog meer dan voorheen in artikel 519, §4 Gerechtelijk Wetboek dat “(…) gerechtsdeurwaarders steeds tot een bemiddelende en faciliterende oplossing (trachten) te komen in hun contact met de rechtszoekende. Zij streven daarnaast, in de mate van het mogelijke, de minnelijke oplossing van geschillen na onder meer door de rechtszoekende te wijzen op de mogelijkheid tot bemiddeling, verzoening en elke andere vorm van minnelijke oplossing van geschillen.”

Om die rol te versterken, voorziet de wet nu een specifieke opleidingsplicht voor gerechtsdeurwaarders. In het kader van hun permanente vorming moeten ze een ‘praktische opleiding in communicatie- en faciliteringsvaardigheden’ volgen.

5. Begrijpbare informatiebladen bij bepaalde akten

Sinds 1 oktober 2024 moet de gerechtsdeurwaarder in bepaalde gevallen een informatieblad toevoegen aan zijn aktes.

Het blad informeert schuldenaars over juridische en andere oplossingen om hun financiële toestand te herstellen of een betalingsregeling te treffen. Het informatieblad moet in mensentaal duiding geven bij de akte. Het moet de acties uitleggen die de schuldenaar nog kan nemen om een escalatie te vermijden. Bij een dagvaarding moet er bijvoorbeeld duidelijk in uitgelegd staan hoe de schuldenaar de schuld kan betwisten.

De inhoud van deze informatiebladen zijn vastgelegd in de bijlagen van het Koninklijk Besluit van 24 september 2024:

  • Bijlage 1: Een betekening van een dagvaarding tot betalen van een geldsom
  • Bijlage 3: Een betekening van een vonnis dat de betaling van een geldsom beveelt
  • Bijlage 5: Een betekening van een dagvaarding tot ontruiming van een pand
  • Bijlage 6: Een betekening van een titel die de ontruiming van een pand beveelt
  • Bijlage 7: Een betekening van een (andere) gerechtsdeurwaardersakte tot invordering van een geldsom

Bijlage 8 bepaalt de inhoud van een informatieblad over ‘de omstandigheden waarin het roerend uitvoerend beslag is gelegd met toelichting bij de aard en omvang van de in beslag genomen goederen’. Dat is enkel bedoeld voor uitwisseling tussen gerechtsdeurwaarders (zie ook verder).

6. Gemeengemaakt beslag bij meerdere procedures

Het gebeurt dat er nieuwe schuldeisers opduiken terwijl er tegen de schuldenaar al een roerende beslagleggingsprocedure loopt. In het verleden startte elke nieuwe gerechtsdeurwaarder dan in de regel zijn eigen beslagprocedure op. Dit betekende vaak dat verschillende gerechtsdeurwaarders tegelijk dezelfde goederen in beslag namen, met de dreiging van een openbare verkoop als de betaling of een betalingsregeling uitbleef.

Het gemeengemaakt beslag maakt hieraan (deels) een einde. De principes zijn:

  • Op voorwaarde dat er de afgelopen 3 jaar al een roerend beslag was gelegd dat nog geldig is (dat niet is opgeheven, aangevochten en in het kader waarvan geen beroep is gedaan op het kantonnement),
    • dan zal de tweede, derde … gerechtsdeurwaarder (na betekening van een bevel tot betalen en een minimale wachtperiode van 24 uur) onmiddellijk kunnen overgaan tot het betekenen van een ‘gemeengemaakt beslag’
    • waarbij een verkoopdag wordt bepaald voor de goederen vervat in het vorige beslag.
  • Het ‘beslag bij vergelijking en uitbreiding’ is een uitzondering op deze werkwijze. Daarbij zal de tweede, derde … gerechtsdeurwaarder  (na betekening van een bevel tot betalen en een minimale wachtperiode van 24 uur):
    • de goederen noteren die niet door het vorige beslag gevat waren, en  
    • een verkoopdag bepalen voor de eerder beslagen en nu hieraan toegevoegde goederen.
  • Tussen de datum van het beslag en de eerste verkoopdag moet de schuldenaar telkens ten minste 1 maand de tijd krijgen om de schuld te betalen of een betalingsregeling te treffen om de effectieve verkoop te vermijden.
  • Wordt er een nieuwe verkoopdag in een zelfde dossier betekend, dan moeten er minstens 10 dagen liggen tussen deze betekening en de nieuwe verkoopdag.

Voor alle duidelijkheid: dit is geen collectief beslag waarbij één enkele gerechtsdeurwaarder optreedt namens alle schuldeisers. De huidige wijziging heft het individuele vervolgingsrecht van elke schuldeiser en zijn gerechtsdeurwaarder niet op. Bijgevolg blijven de schuldeisers elk kosten voor gerechtelijke invordering genereren voor de schuldenaar. Die moet met elke gerechtsdeurwaarder afzonderlijke afbetalingsafspraken maken.

7. Betalingsafspraken bij afbetalingsplan

Als de schuldenaar en de gerechtsdeurwaarder een afbetalingsplan opmaken en de schuldeiser daarmee akkoord gaat, dan bevestigt de gerechtsdeurwaarder de betalingsafspraak. Dat kan per brief of via elektronische weg, bijvoorbeeld via e-mail. De bevestiging vermeldt expliciet de bedragen en termijnen die gerespecteerd moeten worden. Zo weet de schuldenaar duidelijk en precies wat van hem verwacht wordt.

  • Zolang deze afspraken worden nageleefd kan de gerechtsdeurwaarder geen nieuwe stappen van gerechtelijke invordering ondernemen.
  • Wordt het afbetalingsplan niet nageleefd? Dan vraagt de gerechtsdeurwaarder om de vervallen bedragen binnen de acht kalenderdagen te betalen of om een nieuw bedrag af te spreken. Hij doet dat in een herinnering, verstuurd per brief of met andere communicatiemiddelen. De termijn van 8 kalenderdagen begint te lopen vanaf de derde werkdag na verzending van deze herinnering per brief. Wanneer de herinnering gebeurt via elektronische weg, dan vangt deze termijn aan op de kalenderdag die volgt op de dag van verzending.
  • Geeft de schuldenaar binnen deze termijn geen passend gevolg aan de herinnering, dan kan de gedwongen uitvoering worden voortgezet.

8. Weigering deficitaire verkoop

In een beslagleggingsprocedure komen afbetalingsafspraken vaak tot stand onder dreiging van een openbare verkoop van de goederen. Er zijn daarbij 2 mogelijke situaties:

  • Beslag als eigenlijk drukmiddel: De goederen zijn zo veel waard dat de opbrengst van een openbare verkoop zowel de extra kosten van die verkoop dekt als leidt tot gehele of aanzienlijke schuldaflossing. Dit betekent in de praktijk (gelukkig) niet noodzakelijk dat de verkoop doorgaat: vaak komen de betrokkenen onder druk van de verkoop een afbetalingsregeling overeen. De verkoop is geen doel op zich.
  • Beslag als oneigenlijk drukmiddel: De goederen zijn van zo weinig waarde dat bij een effectieve verkoop de schuld enkel zou toenemen. De verkoop is deficitair: de opbrengst ervan is lager dan de extra kosten die ze met zich meebrengt. Dat komt ook de schuldeiser niet ten goede. In de praktijk wordt desalniettemin ook hier gedreigd met openbare verkoop, om de schuldenaar onder druk te bewegen tot een afbetalingsregeling.

Het oneigenlijk pressiebeslag is door de wetswijzigingen niet verboden. In Nederland is dat wel een principieel uitgangspunt van het beslagrecht (artikel 441 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Wel nieuw in België is dat de gerechtsdeurwaarder nu in principe moet weigeren een deficitaire verkoop uit te voeren. Die situatie kunnen we beschouwen als uitzondering op zijn ‘ministerieplicht’ en is an sich baanbrekend.

De schatting van een verkoopwaarde van goederen is geen exacte wetenschap. Daarom zal de weigering enkel gebeuren als de verkoop kennelijk of overduidelijk deficitair is. In zo’n geval, zal de gerechtsdeurwaarder een bericht van vaststelling van niet-bevinding opmaken en opladen in het CBB. Na 3 maanden wordt het daar automatisch uit geschrapt. (zie ook verder).

Uitzondering

De wet voorziet in het nieuwe artikel 1527 Gerechtelijk Wetboek een uitzondering wanneer er gegronde reden zijn om de verkoop toch te laten doorgaan. In de Memorie van Toelichting staat daarvan een voorbeeld: ‘de verkoop (zelfs met verlies) van oude voertuigen (die vervuilend zouden zijn en daarom bijvoorbeeld niet in Brussel worden toegelaten) om ze uit het wagenpark te verwijderen en zo de oplopende bewaarkosten voor deze voertuigen te vermijden.’ De gerechtsdeurwaarder vermeldt zo’n redenen voor uitzondering in het proces-verbaal van de verkoop.

9. Inschatten van procedures: meer focus op solvabiliteit van de schuldenaar

Door de wetswijziging beschikt de gerechtsdeurwaarder over meer informatie over de solvabiliteit of insolvabiliteit van de schuldenaar. Die informatie helpt om te beoordelen welke verdere procedures zinvol of niet zinvol zijn. Het gaat om:

  • Extra informatie in het CBB
  • Informatie-uitwisseling tussen gerechtsdeurwaarders
  • Informatie via het CAP van de Nationale Bank van België

Extra informatie in het CBB

Artikel 1389bis/1, tweede lid Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het CBB (ook) als doel heeft “(…) de personen die daartoe wettelijk gemachtigd zijn, de mogelijkheid te bieden kennis te nemen van de staat van de procedures tot gedwongen tenuitvoerlegging jegens een persoon alsook van de staat van de schuldenlast van een persoon (….).”

Al van bij het begin van het CBB bevat het onder meer de stand van zaken van:

  • alle roerende en onroerende uitvoerende en bewarende beslagen
  • alle beslagen op inkomsten en financiële tegoeden (derdenbeslag)
  • alle loonoverdrachten in uitvoering
  • alle loondelegaties (ter inning van onderhoudsgeld)

Wanneer een schuldenaar voorwerp is van meerdere van deze procedures, kan hieruit afgeleid worden dat hij wellicht een problematische schuldenlast heeft. Deze informatie helpt de gerechtsdeurwaarder om zijn opdrachtgevende schuldeiser te informeren of het zinvol is om bepaalde gerechtelijke procedures op te starten of verder te zetten en de risico’s ervan afwegen. Zo moet de schuldeiser bijvoorbeeld procedurekosten voorschieten voor dagvaarding, advocaten en beslag, terwijl de kans bestaat dat hij deze kosten niet zal kunnen recuperen bij de schuldenaar.

Daarom luidt het aangepaste artikel 519, §3 Gerechtelijk Wetboek als volgt: “De gerechtsdeurwaarder heeft een algemene informatieplicht jegens diegene die hem verzocht heeft zijn ambt uit te oefenen (…) Zo zal hij bij dreigende insolvabiliteit van de schuldenaar de opdrachtgevende schuldeiser hiervan inlichten, opdat deze de wenselijkheid tenuitvoeringsmaatregelen te laten nemen juist kan inschatten (…). Bovendien kan geen enkele gerechtelijke of buitengerechtelijke invorderingsprocedure worden aangevat zonder voorafgaande raadpleging door de gerechtsdeurwaarder van het bestand van berichten (…). De gerechtsdeurwaarder licht desgevallend ieder die hem verzocht heeft zijn ambt uit te oefenen in over de verplichtingen en lasten evenals de kosten die voortvloeien uit exploten, uitvoeringen van gerechtelijke beslissingen, akten of titels.”

Bericht van vaststelling van niet-bevinding

In het CBB is daarvoor nieuw bericht gecreëerd: het bericht van vaststelling van niet-bevinding. De gerechtsdeurwaarder maakt dit op:

  • wanneer hij weigert een openbare verkoop van roerende goederen te organiseren wanneer dit kennelijk aanleiding zal geven tot een deficitaire verkoop (zie eerder);
  • wanneer hij op het domicilieadres van de schuldenaar vaststelt dat de aanwezige goederen onvoldoende waarde hebben om de kosten van de procedure van een openbare verkoop te dekken, of wanneer hij bijvoorbeeld vaststelt dat de schuldenaar er niet meer woont.

Dit nieuwe bericht is volgens de Memorie van Toelichting “(…) van vitaal belang om onnodige inbeslagnamekosten te vermijden, die de schuldsituatie van de schuldenaar zullen verergeren zonder de schuldeiser een levensvatbare manier te bieden om zijn schuld te innen.” Maar, het bericht van vaststelling van niet-bevinding heeft geen enkel wettelijk gevolg. Bovendien wordt het automatisch geschrapt 3 maanden na registratie in het CBB, ongeacht een eventuele verbetering van de situatie.

Conclusie: welk gevolg zo’n bericht krijgt — samen gelezen met andere berichten in het CBB op naam van de schuldenaar — en of er dus in bepaalde situaties daadwerkelijk nutteloze kosten worden vermeden, blijft in de praktijk afhangen van het opportuniteitsoordeel van de gerechtsdeurwaarder, in samenspraak met de opdrachtgevende schuldeiser.

Vermelding deficitaire verkoop of deficitair beslag

Een tweede nieuwe bron van informatie over de (in)solvabiliteit van de schuldenaar komt voort uit een deficitaire openbare verkoop van roerende goederen of uit een derdenbeslag dat meer kost dan het opbrengt, bijvoorbeeld een beslag op een spaarrekening met een minimaal saldo.

In die gevallen moet het proces-verbaal van evenredige verdeling dat in het CBB wordt geregistreerd, expliciet het deficitair karakter vermelden.

Via informatie-uitwisseling tussen gerechtsdeurwaarders

Is er nog een geldig beslag op roerende goederen en is dat niet ouder dan 3 jaar? Dan moeten de volgende gerechtsdeurwaarders kiezen tussen het ‘gemeengemaakt beslag’ of het ‘beslag bij vergelijking en uitbreiding’ (zie eerder). Maar hoe maakt een gerechtsdeurwaarder die keuze?

Het vernieuwde artikel 1524 Gerechtelijk Wetboek voorziet dat de nieuwe beslagleggende gerechtsdeurwaarder het uittreksel van het vorige beslag opvraagt bij de gerechtsdeurwaarder die het uitvoerde. Die moet hem dat binnen de 5 werkdagen bezorgen, langs elektronische weg via een door de Nationale Kamer gecreëerd en beheerd beveiligd kanaal. Het bevat deze informatie:

  • de datum waarop het uittreksel werd opgemaakt
  • de naam en voornamen van de gerechtsdeurwaarder die het beslag gelegd heeft, en het adres van zijn kantoor
  • de datum waarop het beslag is gelegd
  • de plaats waar het beslag gelegd werd
  • een gedetailleerde en volledige lijst van in beslag genomen goederen
  • de verwijzingen naar de uitvoerbare titel waarvoor het uittreksel afgeleverd is
  • de handtekening van de gerechtsdeurwaarder die het uittreksel aflevert

Daarnaast bezorgt de gerechtsdeurwaarder die de vorige inbeslagname uitvoerde de nieuwe beslagleggende gerechtsdeurwaarder het informatieblad over ‘de omstandigheden waarin het roerend uitvoerend beslag is gelegd met toelichting bij de aard en omvang van de in beslag genomen goederen’. De inhoud daarvan is vastgelegd in Bijlage 8 van het Koninklijk Besluit van 24 september 2024. Dat is een bijlage die niet aan de schuldenaar wordt bezorgd — zie ook eerder.

De Memorie van Toelichting zegt hierover: “Via dit kanaal zal de gerechtsdeurwaarder die als eerste beslag legt, zijn collega kunnen informeren over het resultaat van de beslaglegging, de reactie of het gebrek aan reactie van de schuldenaar, het eventuele akkoord over een betalingsplan, de waarde van de in beslag genomen roerende goederen, of zelfs andere goederen die in beslag kunnen worden genomen maar niet in beslag werden genomen gezien het lage bedrag van de schuldvordering, enz.”

Op basis van deze en alle andere informatie, waarover de nieuwe beslagleggende gerechtsdeurwaarder beschikt — zowel uit het CBB als uit andere bronnen — maakt hij een keuze tussen het ‘gemeengemaakt beslag’ of het ‘beslag bij vergelijking en uitbreiding’.

De wet verduidelijkt geen beslissende criteria voor deze keuze. Wel moet de gerechtsdeurwaarder een keuze voor het ‘beslag bij vergelijking en uitbreiding’ rechtvaardigen in het informatieblad. In de Memorie van Toelichting vinden we enkel voorbeelden van zo’n rechtvaardiging:

  • de lijst en waarde van de eerder in beslag genomen goederen zijn ontoereikend om de nieuwe vordering te dekken
  • na controle van het DIV-register blijkt er een (nieuw) voertuig ingeschreven op naam van de schuldenaar dat nog niet in beslag is genomen
  • het informatieblad bij de vorige inbeslagname vermeldt dat er nog goederen zijn die in beslag kunnen worden genomen maar die niet in beslag werden genomen gezien het lage bedrag van die schuldvordering

Samen met het feit dat de wet, zoals eerder aangehaald, geen situaties bepaalt waarin er moet worden afgezien van het leggen van nieuw beslag (wegens niet-bevinding), lijkt veel dus toch vooral nog steeds afhankelijk van een opportuniteitsbeoordeling van de nieuwe beslagleggende gerechtsdeurwaarder, in samenspraak met zijn opdrachtgevende schuldeiser.

Enkel wanneer er nog een geldig roerend beslag is van minder dan 3 jaar oud en er toch een ‘nieuw beslag’ wordt gelegd zonder gebruik te maken van het ‘gemeengemaakt beslag’ of het ‘beslag bij vergelijking en uitbreiding’, voorziet de wet expliciet dat dit nodeloze kosten zijn. Artikel 866 Gerechtelijk Wetboek is erop van toepassing: “De proceshandelingen en akten die nietig zijn of nodeloze kosten veroorzaken door toedoen van een ministerieel ambtenaar, komen te zijnen laste; hij kan bovendien worden veroordeeld tot schadevergoeding jegens de partij.”

Informatie via het CAP van de Nationale Bank van België

Andere nuttige informatie over de solvabiliteit van een schuldenaar, waartoe de gerechtsdeurwaarder al sinds juni 2024 op vereenvoudigde wijze toegang tot heeft, gaat over de bankrekeningen van een schuldenaar en het saldo dat hierop staat.

Bij toepassing van het nieuwe artikel 1539bis Gerechtelijk Wetboek:

  • kan de gerechtsdeurwaarder in het kader van uitvoerend derdenbeslag op basis van een uitvoerbare titel,
  • via de Nationale kamer voor Gerechtsdeurwaarders,
  • bij het Centraal Aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten van de Nationale Bank van België (CAP),
  • de volgende informatie opvragen;
    • de identificatie van de bank of de banken en van de bankrekening of de bankrekeningen van de schuldenaar;
    • en in voorkomend geval:
      • indien het beschikbare saldo gelijk is aan of groter is dan het bedrag waarop beslag wordt gelegd: de informatie dat het beschikbare bedrag toereikend is;
      • indien het beschikbare saldo lager is dan het bedrag waarop beslag wordt gelegd: het beschikbare saldo.

Ook dit moet toelaten nutteloze invorderingskosten te vermijden maar opnieuw zijn er hierbij door de wet geen criteria vastgelegd wanneer men zou moeten afzien, op basis van de verkregen informatie uit het CAP, van het effectief leggen van beslag op de betrokken bankrekeningen. Anderzijds is het wel zo dat de informatie uit het CAP niet steeds actueel is: het geeft slechts de stand van zaken weer zoals laatst geregistreerd op 30 juni resp. 31 december.

10. Meer aandacht voor schuldafbouwtrajecten bij invorderingsprocedures

Artikel 1389bis/1, tweede lid Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het CBB ook tot doel heeft “(…) de personen die daartoe wettelijk gemachtigd zijn, de mogelijkheid te bieden kennis te nemen van (…) de processen van schuldafbouw waarbij hij betrokken is.”

Al meer dan 10 jaar bevat het CBB berichten over procedures van collectieve schuldenregeling. Deze berichten vermelden bijvoorbeeld de datum van de beschikking van toelaatbaarheid, de naam van de aangestelde schuldbemiddelaar, de datum waarop een minnelijke aanzuiveringsregeling is gehomologeerd, tot de datum van herroeping of beëindiging van de collectieve schuldenregeling.

Wat we hier alvast willen benadrukken is het feit dat de wet vanaf nu voorschrijft welk gevolg een gerechtsdeurwaarder moet geven aan deze berichten. In de praktijk was het tot nu toe bijvoorbeeld niet ongebruikelijk dat een gerechtsdeurwaarder, gelet op een instructie van de opdrachtgevende schuldeiser, een procedure uitvoerend roerend beslag opstartte voor boedelschulden, ondanks een voorafgaande vaststelling in het CBB dat de schuldenaar in collectieve schuldenregeling verwikkeld was.

Wanneer het nieuwe artikel 1391bis Gerechtelijk Wetboek in werking treedt, geldt volgende procedure als het CBB een bericht van minnelijke schuldbemiddeling of collectieve schuldenregeling bevat:

  • De gerechtsdeurwaarder informeert de schuldbemiddelaar van zijn opdracht en van het bedrag van de vordering.
  • De schuldbemiddelaar krijgt een maand om te antwoorden. In die periode kan hij de nieuwe vordering onderzoeken en een oplossing vinden.
  • Na die maand moet hij de schuld afbetalen of een antwoord te formuleren. Daarin moet hij aangeven of de schuld kan worden opgenomen in een afbetalingsplan (of in de aanzuiveringsregeling van een collectieve schuldenregeling) en, zo ja, daar concrete voorstellen voor doen.

Het doel is opnieuw om nutteloze invorderingskosten te vermijden en/of een minnelijke oplossing te bevorderen. Het is daarbij een goede zaak dat deze werkwijze niet alleen geldt als een gerechtsdeurwaarder een beslagprocedure wil opstarten maar ook als hij de opdracht krijgt tot dagvaarding om een procedure voor de rechtbank op te starten (of een buitengerechtelijke IOS b2c procedure tegen een ondernemer).

Antwoordt de schuldbemiddelaar niet binnen de maand, dan kan de gerechtelijke invordering doorgaan. Hetzelfde geldt als er geen minnelijke oplossing door onderhandeling wordt gevonden.

Tot slot: de wet sluit ook tijdens de ‘wachtperiode’ van 1 maand een gerechtelijke vordering niet uit. Het bericht over collectieve schuldenregeling of minnelijk schuldbemiddeling in het CBB heeft geen schorsende werking. De wetsaanvulling introduceert dus geen ‘invorderingmoratorium’ in geval van collectieve schuldenregeling of minnelijke schuldbemiddeling. Dit betekent dat gerechtelijke vorderingen mogelijk blijven tijdens de volledige looptijd van de procedure of, in het geval van minnelijke schuldbemiddeling, bijvoorbeeld ook gedurende de eerste drie maanden na de opstart.

Lees meer over het bericht minnelijke schuldbemiddeling en haar doelstellingen: Bericht minnelijke schuldbemiddeling in het CBB.

Praktische uitleg om als instelling erkend voor schuldbemiddeling met het bericht minnelijke schuldbemiddeling aan de slag te gaan: Stappenplan en FAQ minnelijke schuldbemiddeling in het CBB