Complexere schuldenproblematiek in de context van beleidsmatige veranderingen
De erkende instellingen voor schuldbemiddeling in Vlaanderen registreren jaarlijks het aantal gezinnen in budget- en schuldhulpverlening via het basisregistratieformulier. Daarbij duiden ze tendensen in deze cijfers aan de hand van vier open vragen. SAM, steunpunt Mens en Samenleving analyseert deze gegevens en vergelijkt ze met die van de voorgaande drie jaren. Het huidige rapport bundelt de cijfers en signalen voor de periode 2022–2025.
Lees hier de basisregistratie 2025 van de erkende instellingen voor Schuldbemiddeling.
Algemeen beeld
Sinds de gemeentelijke fusies op 1 januari 2025 erkent de Vlaamse overheid 298 instellingen voor schuldbemiddeling: 283 OCMW’s, 11 Centra voor Algemeen Welzijnswerk (CAW’s) en 4 intergemeentelijke OCMW-verenigingen. De OCMW’s zijn veruit de grootste aanbieders en staan in voor 94% van de begeleidingen. De CAW’s nemen 6% voor hun rekening, terwijl de OCMW-verenigingen minder dan 1% vertegenwoordigen.
In 2025 deden 48.904 gezinnen een beroep op erkende instellingen voor budget- en schuldhulpverlening. De meest aangeboden hulpvormen zijn:
- budgetbeheer (41,09%),
- schuldbemiddeling (40,22%)
- en budgetbegeleiding (15,30%).
De aanstelling van een schuldbemiddelaar binnen een procedure van collectieve schuldenregeling komt voor in slechts 3,39% van de gevallen. De onderstaande grafiek geeft het totaal aantal ingezette hulpverleningsmodules weer.
De provincie West-Vlaanderen telt het grootste aantal gezinnen in budget- en schuldhulpverlening, gevolgd door Oost-Vlaanderen, Antwerpen, Limburg en tot slot Vlaams-Brabant. Opvallend is dat deze verdeling niet noodzakelijk samenvalt met de bevolkingsomvang of het armoederisico per provincie. Dit wijst erop dat naast armoede ook andere factoren een rol spelen, zoals de organisatie en capaciteit van de hulpverlening, de mate waarin gezinnen worden bereikt en toegeleid, en mogelijke drempels die mensen ervaren om de stap naar hulpverlening te zetten.
Combinatie aan problemen en crisissituaties...
Hulpverleners signaleren een toenemende complexiteit van de schuldenproblematiek, waarbij financiële moeilijkheden steeds vaker verweven zijn met andere kwetsbaarheden. Het gaat om meer gezinnen met een combinatie aan problemen en om mensen die administratieve of digitale drempels ondervinden, een beperkt of onbestaand sociaal netwerk hebben én bijvoorbeeld met een psychosociale problematiek kampen.
Tegelijk bevinden veel gezinnen zich in een structureel kwetsbare inkomenspositie, waardoor het moeilijk of onmogelijk is om financiële ruimte te creëren. Samen met hoge woonkosten en veel gezinnen in een precaire woonsituatie leidt dit steeds vaker tot zogenaamde overlevingsschulden, verbonden met basisnoden zoals wonen, energie en telecommunicatie.
Veel gezinnen beschikken over onvoldoende financiële buffers om inkomensverlies of onverwachte levensgebeurtenissen op te vangen. Hierdoor leiden tijdelijke financiële schokken sneller tot schuldenproblematieken. Dit wijst op een groeiende financiële kwetsbaarheid bij gezinnen die voordien financieel vaak net konden rondkomen.
... in een context van beleidsmatige verschuivingen
Deze toenemende complexiteit lijkt mee aangedreven te worden door bredere beleidsmatige ontwikkelingen.
Hulpverleners wijzen op een verminderde toegankelijkheid van dienstverlening, onder meer door digitalisering, en op een verstrenging van het sociaal beleid.
Zo zetten maatregelen zoals de verstrenging van uitkeringsvoorwaarden en de afbouw van ondersteunende voordelen (zoals de REMI-steun, PSA en kortingsbonnen van Fluvius), niet alleen inkomens, maar ook lopende begeleidingen onder druk en verhogen ze het risico op nieuwe financiële problemen. Tegelijk ervaren de erkende instellingen dat de druk steeds meer naar het lokale niveau verschuift, waar ze met beperkte middelen een groeiende en complexere doelgroep moeten opvangen.
Druk op de hulpverlening
Dit alles vertaalt zich in een verhoogde druk op de hulpverlening. Dossiers worden complexer en intensiever, terwijl ook de verwachtingen van mensen die begeleid worden toenemen. De signalen uit het werkveld maken duidelijk dat deze cijfers gelezen moeten worden binnen deze bredere context van toenemende complexiteit en druk op een werkveld dat steeds vaker ook bredere maatschappelijke tekorten opvangt.
Beleidsaanbevelingen
Schuldhulpverleners formuleerden enkele beleidsaanbevelingen om structurele schuldoverlast een halt toe te roepen. Hieronder de 5 meest genoemde:
Investeer in betaalbare, kwaliteitsvolle woningen en meer sociale huisvesting.
Verstreng de regelgeving rond agressieve reclame, gokaanbieders, consumentenkrediet en achterafbetaaldiensten.
Zet in op financiële geletterdheid (o.a. over achterafbetaaldiensten) en de bekendheid van budget- en schuldhulpverlening.
Verhoog de toegankelijkheid van uitbetalingsinstanties, banken, energieleveranciers met het oog op een betere samenwerking.
Implementeer structurele financiële educatie in het lager en secundair onderwijs.
Voorwaarden voor een kwaliteitsvolle en duurzame budget- en schuldhulpverlening
Het hoofd bieden aan de complexiteit van budget- en schuldhulpproblematiek vraagt voldoende ruimte en middelen. Om mensen met schulden effectief te ondersteunen en duurzame oplossingen mogelijk te maken, pleit SAM voor een versterking van de budget- en schuldhulpverlening.
Investeer in tijd, personeel en middelen
Een kwaliteitsvolle minnelijke schuldbemiddeling vereist voldoende capaciteit om:
-
langdurige begeleidingstrajecten voor gezinnen te verzekeren
-
outreachend en op maat van cliënten te werken
-
personen met beperkte leercapaciteiten adequaat te ondersteunen, zonder hen automatisch door te verwijzen naar gerechtelijke beschermingsmaatregelen
Versterk de minnelijke schuldbemiddeling als volwaardig alternatief voor gerechtelijke trajecten
Om een collectieve schuldenregeling (CSR) zoveel mogelijk te vermijden, is het essentieel dat schuldhulpverleners de nodige ruimte krijgen om een dossier grondig voor te bereiden. Bij de tussenkomst van een schuldhulpverlener vragen we minimaal drie maanden schorsing van de invorderingsprocedure. Die periode is nodig om:
-
inkomsten en uitgaven zorgvuldig in kaart te brengen
-
sociale rechten maximaal uit te putten
-
de financiële redzaamheid van de cliënt te beoordelen en waar nodig leerdoelen te formuleren
-
een menswaardig leefgeld te berekenen
-
de aflossingscapaciteit correct vast te stellen
-
de gegrondheid en eventuele verjaring van schulden te onderzoeken
-
onwettige schulden of schuldonderdelen te betwisten indien nodig
Samenwerking van schuldeisers en invorderaars is cruciaal
Een succesvolle minnelijke schuldbemiddeling vraagt ook engagement van schuldeisers en invorderaars. SAM roept op tot:
-
transparante communicatie en vlotte toegang tot bewijsstukken om de gegrondheid van schulden te kunnen beoordelen
-
gemotiveerde antwoorden bij een niet-akkoord over betwistingen, met duidelijke afspraken over het niet-betwiste deel van de schuld waarvoor wel een regeling mogelijk is
-
vertrouwen dat de afbetalingsvoorstellen gebaseerd zijn op een grondige en integrale analyse van de situatie van de schuldenaar en het gezin
-
flexibiliteit om afbetalingsregelingen aan te passen bij veranderingen in de gezinssituatie, zoals werkverlies of een relatiebreuk
Meer weten?
Lees ook de recente aanbevelingen van SAM:
- Hervormingen en prioriteiten inzake schuldbemiddeling en schuldinvordering voor de federale legislatuur 2024-2029
- Position paper over de geplande evaluatie van Boek XIX WER rond minnelijke schuldbemiddeling en invordering van consumentenschulden
- Het protocolakkoord tussen de Vlaamse instellingen erkend voor schuldbemiddeling en de incasso- en gerechtsdeurwaarderssector