Wetgeving

Nieuw: de minnelijke schuldbemiddeling

Sociale bescherming

Vijf prangende vragen voor de praktijk van de erkende instellingen voor schuldbemiddeling

In de tweede helft van 2024, tot na de verkiezingen van mei, zijn nog tal van wetten gepubliceerd die kaderen in de strijd tegen overmatige schuldenlast. Met onder meer hervormingen van het proces- en beslagrecht, en wijzigingen van het tarief dat gerechtsdeurwaarders mogen aanreken. Hieronder hebben we het alvast over de Wet van 3 mei 2024 houdende diverse bepalingen inzake economie, die het relevantst is voor de Vlaamse OCMW’s, CAW’s en OCMW-verenigingen met een erkenning voor schuldbemiddeling. Ze heeft een directe impact op hun dagelijks werking. De artikelen 44 en 45 van deze wet voegden namelijk een nieuw hoofdstuk 'De minnelijke schuldbemiddeling' in boek XIX Wetboek Economisch Recht (WER) in. Ze trad in werking op 10 juni 2024.

Wij gaan hier in op vijf prangende vragen voor de praktijk van de erkende instellingen voor schuldbemiddeling:

  1. Wat houdt deze minnelijke schuldbemiddeling in? In welke dossiers is ze van toepassing en hoe verhoudt ze zich tot de bestaande schuldbemiddeling?
  2. Wie kan optreden als minnelijke schuldbemiddelaar? Wie mag effectief de opdracht van minnelijke schuldbemiddeling opnemen in een erkende instelling voor schuldbemiddeling?
  3. Vanaf wanneer is deze nieuwe wet van toepassing?
  4. Welke ‘overeenkomst(en) schuldbemiddeling’ moet je gebruiken?
  5. Wat is het bericht van minnelijke schuldbemiddeling dat in het Centraal Bestand van Beslagberichten geregistreerd kan worden?

1. Wat houdt deze minnelijke schuldbemiddeling in? In welke dossiers is ze van toepassing en hoe verhoudt ze zich tot de bestaande schuldbemiddeling?

Tot nu toe regelde de wet enkel ‘schuldbemiddeling’ op federaal niveau. De definitie veronderstelde de aanwezigheid van een consumentenkrediet in het dossier. Artikel I.9, 55 WER: “de dienstverlening, met uitsluiting van het sluiten van een kredietovereenkomst, met het oog op het tot stand brengen van een regeling omtrent de wijze van betaling van de schuldenlast die geheel of ten dele uit een of meer kredietovereenkomsten voortvloeit.” Die ‘schuldbemiddeling’ wordt voor de Vlaamse erkende instellingen voor schuldbemiddeling ook verder geregeld in het Decreet van 24 juli 1996 houdende regeling tot erkenning en subsidiëring van de instellingen voor schuldbemiddeling en zijn uitvoeringsbesluiten. 

De nieuw ingevoerde wettelijke regeling in het WER van de ‘minnelijke schuldbemiddeling’ laat die verwijzing naar een consumentenkrediet los:

“Art. XIX.16. (…) de minnelijke schuldbemiddeling (is) een dienst, met uitzondering van het sluiten van een kredietovereenkomst (…), die tot doel heeft preventieve en/of curatieve bijstand te verlenen aan elke schuldenaar die financiële moeilijkheden ondervindt of niet in staat is zijn opeisbare of invorderbare schulden te betalen.”

“Art. XIX.17. De minnelijke schuldbemiddeling heeft tot doel een duurzame oplossing te vinden voor de financiële moeilijkheden van de schuldenaar en/of voor zijn problemen van overmatige schuldenlast. Zij heeft tot doel om de schuldenaar te helpen met diens verplichtingen ten aanzien van de schuldeisers, voor zover dit de schuldenaar en zijn gezin in staat stelt om een levensstandaard te behouden in overeenstemming met de menselijke waardigheid.”

Net zoals ‘schuldbemiddeling’ wil de ‘minnelijke schuldbemiddeling’ een buitengerechtelijke oplossing bieden voor iemands schuldenlast. Dit in contrast met de ‘collectieve schuldenregeling’ die een gerechtelijke procedure impliceert.

In de Memorie van Toelichting bij de nieuwe wet (pagina 29) staat: “Minnelijke schuldbemiddeling is een proces van conflictoplossing waarbij een neutrale en onpartijdige bemiddelaar tussenkomt. Zijn rol is om de partijen te helpen een vrijwillige en wederzijds aanvaardbare overeenkomst over schuldaflossing te bereiken. Het doel is om onderhandelingen en het zoeken naar oplossingen voor financiële problemen op een niet-contentieuze manier te vergemakkelijken, zodat een gerechtelijke procedure kan worden vermeden. Het moedigt ook communicatie en samenwerking tussen de partijen aan, wat voor alle betrokkenen gunstig kan zijn. Minnelijke schuldbemiddeling biedt daarom een snellere en minder dure manier om financiële geschillen op te lossen dan gerechtelijke procedures.”

In dossiers met een consumentenkrediet kan ‘schuldbemiddeling’ een bijzondere vorm van ‘minnelijke schuldbemiddeling’ zijn. De nieuwe federale regels over de ‘minnelijke schuldbemiddeling’ zijn alleszins van toepassing in dossiers mét en zonder consumentenkrediet als de bijstand overeenstemt met de definitie en doelstelling van de artikelen XIX.16 en XIX.17 WER.  

2. Wie kan optreden als minnelijke schuldbemiddelaar? Wie mag effectief de opdracht van minnelijke schuldbemiddeling opnemen in een erkende instelling voor schuldbemiddeling?

Net zoals bij ‘schuldbemiddeling’ (en collectieve schuldenregeling) is het formeel gezien het OCMW, het CAW of de OCMW-vereniging, met een erkenning voor schuldbemiddeling, die desgevallend optreedt als de minnelijke schuldbemiddelaar. In artikel Art. XIX.20, §1, eerste lid WER lezen we: “De functie van minnelijke schuldbemiddelaar mag enkel uitgeoefend worden door: (…)   2° de openbare of de private instellingen die door de bevoegde autoriteiten zijn erkend om aan minnelijke schuldbemiddeling te doen.”

Problematisch is dat er in Vlaanderen naar de letter van de wet geen instellingen zijn erkend om aan ‘minnelijke schuldbemiddeling’ te doen zoals omschreven in art. XIX.16 e.v. WER. Artikel 2 van het erkenningsdecreet verwijst momenteel enkel en alleen naar ‘schuldbemiddeling’, wat een dossier veronderstelt met een schuldenlast die geheel of ten dele uit een consumentenkredietovereenkomst voortkomt: “In dit decreet wordt onder schuldbemiddeling de dienstverlening verstaan als bedoeld in artikel 1, 13°, van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet” met dien verstand dat dit artikel 1, 13° ondertussen vervangen is door artikel I.9, 55 WER.

Anderzijds lijkt de Memorie van Toelichting het vanzelfsprekend te vinden dat instellingen die erkend zijn voor ‘schuldbemiddeling’ ook de opdracht van ‘minnelijke schuldbemiddeling’ mogen en zullen opnemen: “Minnelijke schuldbemiddeling wordt uitgevoerd door instellingen die erkend zijn door hun bevoegde autoriteit, d.w.z. de gewesten. Erkende schuldbemiddelingsdiensten zijn heel vaak te vinden binnen de OCMW’s. Ze bestaan ook bij particuliere vzw’s of mutualiteiten (…) Om een erkenning te hebben moeten de instellingen die behoeve van schuldbemiddeling een maatschappelijk werker ter beschikking hebben, die ter zake een gespecialiseerde opleiding heeft gevolgd of daaromtrent een nuttige beroepservaring van ten minste drie jaar kan voorleggen. Iedereen die in een erkende schuldbemiddelingsdienst werkt, is daarom verplicht om een opleiding te volgen die bekend staat als “basisopleiding schuldbemiddeling”. Deze opleiding wordt georganiseerd (…) door het SAM (Steunpunt Mens en Samenleving) in Vlaanderen. Al deze vereisten worden uiteengezet in (…) het decreet van 24 juli 1996 houdende regeling tot erkenning en subsidiëring van de instellingen voor schuldbemiddeling in Vlaanderen (…)”.

Een gelijkaardige situatie deed zich voor bij de invoering van de collectieve schuldenregeling in 1998. Ook toen werd in een federale wet, over die toen nieuwe gerechtelijke procedure, gestipuleerd dat de instellingen erkend door de regionale overheid hierbij mochten optreden als schuldbemiddelaar. Via de Omzendbrief WEL/99/4 betreffende de wet op de collectieve schuldenregeling - instellingen voor schuldbemiddeling werd toen bepaald dat deze erkende diensten mochten optreden als schuldbemiddelaar voor een collectieve schuldenregeling, zonder het erkenningsdecreet aan te passen dat toen (en nog steeds dus) enkel en alleen verwijst naar schuldbemiddeling in dossiers met consumentenkredieten. In deze omzendbrief lezen we hierover:

“(…) Deze omzendbrief beoogt de voor de hand liggende vragen in dit verband te beantwoorden.

1. Kunnen die instellingen die, in het kader van het decreet van 24 juli 1996 houdende regeling tot erkenning van de instellingen voor schuldbemiddeling in de Vlaamse Gemeenschap en het besluit van de Vlaamse regering van 25 maart 1997 tot uitvoering van dat decreet, als instelling voor schuldbemiddeling in de Vlaamse Gemeenschap erkend zijn, optreden in het kader van de wet op de collectieve schuldenregeling of is een nieuwe erkenning vereist?

Het nieuwe artikel 1675/17, §1 van het gerechtelijk wetboek geeft een opsomming van de mogelijke schuldbemiddelaars, nl.:

"Als schuldbemiddelaar kunnen slechts worden aangewezen:

  • de advocaten, de ministeriële ambtenaren of de gerechtelijke mandatarissen in de uitoefening van hun beroep of ambt;
  • de overheidsinstellingen of de particuliere instellingen die daartoe door de bevoegde overheid zijn erkend. Deze instellingen doen hiervoor een beroep op natuurlijke personen die aan de door de bevoegde overheid bepaalde voorwaarden voldoen."

In de voorbereidende werken lezen we hierover: "de natuurlijke personen of rechtspersonen die de toelating hebben om aan schuldbemiddeling te doen in het kader van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet zijn inderdaad die welke aangeduid kunnen worden als schuldbemiddelaars in het kader van dit ontwerp." (zie Gedr. St. Kamer, nr. 1073/11, zitting 96-97, blz. 103).

Om als schuldbemiddelaar in het kader van de wet op de collectieve schuldenregeling te kunnen optreden is dus geen nieuwe erkenning vereist.”

Pas je deze redenering mutatis mutandi toe op de nieuwe ‘minnelijke schuldbemiddeling’ zoals geregeld in boek XIX WER, dan kan je concluderen dat de bestaande erkende diensten voor schuldbemiddeling (zonder nieuwe erkenning) de opdracht van de ‘minnelijke schuldbemiddeling’ mogen opnemen.

Deze conclusie sluit ook aan bij het feit dat de omkadering van de ‘minnelijke schuldbemiddeling’ zoals nu opgenomen in het WER precies gebaseerd is op de praktijk van de erkende diensten voor schuldbemiddeling en aspecten van de regionale wetgevingen die deze ‘schuldbemiddeling’ beheersen. Uit de Memorie van Toelichting: “Het doel van dit project is om een wettelijk kader te bieden voor minnelijke schuldbemiddeling. Het belang ervan vereist een wettelijk kader dat precies omschrijft wat minnelijke schuldbemiddeling is en wat de doelstellingen ervan zijn, evenals de rol van de minnelijke schuldbemiddelaar. De schuldenaar wordt geïnformeerd over het kader van de bemiddeling en wat hij ervan kan verwachten. Minnelijke schuldbemiddeling wordt dagelijks beoefend door erkende bemiddelingsdiensten. Het kader dat aldus voor dit ontwerp is vastgesteld, is gebaseerd op de jarenlange ervaring en professionele praktijk van deze diensten.”

Indirect wil dit zeggen dat de andere actoren die ook ‘(minnelijke) schuldbemiddeling’ mogen aanbieden (vnl. gerechtsdeurwaarder en advocaten) vanaf nu ook aan bepaalde van die (minimale) vereisten moeten voldoen (bv. wettelijkheid van de schulden controleren en het bepalen van een leefgeld gebaseerd op de werkelijke behoeften dat in staat moet stellen menswaardig te blijven leven). En dat zij hiertoe een opleidingsvereiste moeten vervullen (tegen 10 juni 2026) wat je kan aanzien als een ‘federale erkenningsvoorwaarde’. Een voorwaarde waar de erkende instellingen voor schuldbemiddeling op heden al aan voldoen volgens art. XIX.20, §1, derde lid WER:  

  Art. XIX.20. § 1. De functie van minnelijke schuldbemiddelaar mag enkel uitgeoefend worden door:

  1° de advocaten, de ministeriële ambtenaren of de gerechtelijke mandatarissen in de uitoefening van hun beroep of functie;

  2° de openbare of de private instellingen die door de bevoegde autoriteiten zijn erkend om aan minnelijke schuldbemiddeling te doen.

  De instellingen bedoeld in het eerste lid, 2°, maken gebruik van natuurlijke personen die voldoen aan de door de bevoegde autoriteiten gestelde voorwaarden.

 Aangezien de instellingen bedoeld in het eerste lid, 2°, onderworpen zijn aan een opleidingsverplichting als onderdeel van de voorwaarden die door de bevoegde autoriteiten aan hun erkenning zijn verbonden, voldoen zij aan de specifieke opleidingsvoorwaarde bedoeld in paragraaf 2.

  § 2. De personen bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, leveren het bewijs van een bijzondere opleiding in minnelijke schuldbemiddeling en leggen waarborgen voor bekwaamheid inzake overmatige schuldenlast voor.

 De Koning stelt de voorwaarden vast waaraan de opleiding en de vereiste bekwaamheid moeten voldoen.

Basisopleiding

Een volgende vraag is wie binnen deze instellingen eigenlijk deze taak op zich mag opnemen. Hierover bepaalt artikel Art. XIX.20. § 1, tweede lid het volgende: “(…) De instellingen bedoeld in het eerste lid, 2°, maken gebruik van natuurlijke personen die voldoen aan de door de bevoegde autoriteiten gestelde voorwaarden.” In Vlaanderen lijkt dit op het eerste zicht te gaan over een maatschappelijk werker en/of jurist die de basisopleiding schuldbemiddeling heeft gevolgd, of de hiermee gelijkgestelde categorieën op basis van ‘drie jaar relevante beroepservaring’. Dezelfde personen die op heden binnen een erkende instelling aan ‘schuldbemiddeling’ mogen doen in dossiers met een consumentenkrediet.

Iets genuanceerder is de stelling dat de federale wetgever misschien wel bevoegd is om aan te duiden wie als ‘minnelijke schuldbemiddelaar’ mag optreden, waaronder de huidige erkende instellingen voor schuldbemiddeling (die volgens het WER geacht worden aan de ‘federale erkennings-/ opleidingsvoorwaarde’ te vervullen). Maar dat enkel de regionale overheden bevoegd zijn de voorwaarden te bepalen waaraan personen ‘intern’ binnen deze instellingen moeten voldoen om op te mogen treden als ‘minnelijk schuldbemiddelaar’, voorwaarden die mogelijks kunnen verschillen van de voorwaarden om aan ‘schuldbemiddeling’ te mogen doen in dossiers met een consumentenkrediet.  In afwachting van Vlaamse regelgeving, stelt men dan op heden over deze ‘personeelskwestie’ een ‘wetsvacuüm’ vast, althans, in dossiers ‘minnelijke schuldbemiddeling’ zonder een consumentenkrediet. (Hetzelfde geldt volgens deze redenering voor de kosten die in zulke dossiers mogen aangerekend worden.)

Hierbij kan tot slot nog worden opgemerkt dat op federaal niveau het WER zelf geen sancties voorziet op de eventuele overtreding van de nieuwe regels over de ‘minnelijke schuldbemiddeling’ (anders dan voor overtredingen van het verbod op ‘schuldbemiddeling’ in dossiers met een consumentenkrediet) maar dat dit natuurlijk niet wegneemt dat elke ‘minnelijke schuldbemiddeling’ moet voldoen aan de (inhoudelijke) vereisten van artikel XIX.16 e.v. WER zoals o.a. het gebruik van een ‘overeenkomst’ die voldoet aan art. XIX.25 WER (zie hierna).

3. Vanaf wanneer is deze nieuwe wet van toepassing?

Over de toepassing in de tijd van de nieuwe regels over de ‘minnelijke schuldbemiddeling’ bepaalt artikel 102, §1 van de Wet van 3 mei 2024 houdende diverse bepalingen inzake economie dat ze gelden voor “(…) elke minnelijke schuldbemiddeling die de schuldenaar vanaf de inwerkingtreding van deze wet vraagt aan een minnelijke schuldbemiddelaar”. Deze wet trad in werking op 10 juni 2024.

Enkel voor aanvragen naar minnelijke schuldbemiddeling vanaf 10 juni gelden dus de nieuwe regels. De nieuwe regels gelden niet voor aanvragen van vóór deze datum, en bij trajecten schuldbemiddeling die op die datum al opgestart waren.

4. Welke ‘overeenkomst(en) schuldbemiddeling’ moet je gebruiken?

Sinds jaar en dag moeten de Vlaamse erkende instellingen voor schuldbemiddeling, in dossiers met een consumentenkrediet, een ‘modelovereenkomst schuldbemiddeling’ afsluiten met de cliënt. Daarin worden onder andere de rechten en plichten van de cliënt en de schuldbemiddelaar vastgelegd. De inhoud ervan is vastgelegd in een bijlage bij het Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 24 juli 1996 houdende regeling tot erkenning en subsidiëring van de instellingen voor schuldbemiddeling. De erkende instellingen moeten deze overeenkomst ‘ongewijzigd’ gebruiken (maar ze mogen wel aanvullende, verduidelijkende, … documenten opstellen en voorleggen aan de cliënt).

Zo’n verplichting geldt nu ook bij minnelijke schuldbemiddeling. Het nieuwe artikel XIX.25 WER bepaalt: “De minnelijke schuldbemiddeling mag niet aanvangen voordat de minnelijke schuldbemiddelaar en de schuldenaar een overeenkomst hebben ondertekend (…)”. Verder bepaalt dit artikel de minimale inhoud van deze overeenkomst en dat een Koninklijk Besluit een modelovereenkomst kan vastleggen (en daarbij bepalen welke onderdelen van dwingend of aanvullend recht zijn). Tot op heden is er geen Koninklijk Besluit dat een ‘modelovereenkomst minnelijke schuldbemiddeling’ vastlegt.

Volstaat het gebruik van de (Vlaamse) ‘modelovereenkomst schuldbemiddeling’ (met weglating van de veronderstelde aanwezigheid van een consumentenkrediet in het dossier) om te voldoen aan de (federale) vereiste dat een ‘overeenkomst minnelijke schuldbemiddeling’ gebruikt wordt volgens de eisen van art. XIX.25 WER?

Volgens ons niet. Art. XIX.25 WER vereist meer inhouden (bijvoorbeeld vermelding klachtenprocedures of verwijzing naar GDPR-regels over de verwerking van persoonsgegevens). Bovendien zijn bepaalde procedurele waarborgen uit art. XIX.25 WER niet expliciet opgenomen in de (Vlaamse) ‘modelovereenkomst schuldbemiddeling’. Bijvoorbeeld de expliciete toestemming van de cliënt om een welbepaald voorstel aan de schuldeisers voor te leggen die niet zomaar afgeleid kan worden uit de ondertekening van de ‘modelovereenkomst schuldbemiddeling’.  

Onze aanbeveling

In afwachting van een betere afstemming tussen de federale en Vlaamse regelgeving bevelen wij daarom in de praktijk het volgende aan voor ‘minnelijke schuldbemiddeling’:

  • voor dossiers mét een consumentenkrediet: gebruik zowel de (ongewijzigde) ‘modelovereenkomst schuldbemiddeling’ als een ‘overeenkomst minnelijke schuldbemiddeling’ die beantwoordt aan artikel XIX.25 WER
  • voor dossiers zonder consumentenkrediet: gebruik enkel een ‘overeenkomst minnelijke schuldbemiddeling’ die beantwoordt aan artikel XIX.25 WER.

Voorbeeldovereenkomst

SAM werkt aan een voorbeeldovereenkomst voor minnelijke schuldbemiddeling. Houd onze nieuwsbrief in de gaten!

Heeft jouw organisatie zelf al zo’n overeenkomst opgemaakt? Of heb je vragen of opmerkingen? Mail ons: helpdesk.schuldbemiddelaars@samvzw.be.

5. Wat is het bericht van minnelijke schuldbemiddeling dat in het Centraal Bestand van Beslagberichten geregistreerd kan worden?

Dit bericht wordt onder meer vermeld in de artikelen 11 en 13 van de Wet van 15 mei 2024 houdende maatregelen in de strijd tegen de overmatige schuldenlast en ter bescherming van ondernemingen in moeilijkheden. Het gaat over een wijziging van artikel 1390octies en de invoering van een nieuw artikel 1391bis in het Gerechtelijk Wetboek. 

Lees in dit kennisartikel meer over het bericht Minnelijke Schuldbemiddeling in het CBB.