Nieuwe regels voor consumentenkrediet
Wat verandert er vanaf 20 november 2026, en welke vragen blijven open?
Vanaf 20 november 2026 treden nieuwe regels over consumentenkrediet in werking. Meer vormen van achterafbetaling vallen onder de kredietwetgeving. Ook de regels voor het onderzoek naar de kredietwaardigheid, de bescherming van minderjarigen en de aanpak van betalingsproblemen veranderen.
Wat betekenen die wijzigingen voor consumenten en voor de praktijk van budget- en schuldhulpverleners? In dit artikel bespreken we de belangrijkste nieuwe regels en bekijken we ze kritisch. Want hoewel de nieuwe wetgeving de bescherming van consumenten op verschillende punten versterkt, blijven er ook vragen over de toepassing ervan.
Spring rechtstreeks naar:
- Buy Now Pay Later: meer kredieten vallen onder boek VII WER
- Minderjarigen: een duidelijk verbod in boek VII WER
- Kredietwaardigheid: van proportionele controle tot AI
- Bewijslast: meer verantwoordelijkheid voor de kredietgever
- Respijtmaatregelen: eerst oplossingen zoeken, dan invorderen
- Vroegtijdige opsporing en schuldadviesdiensten
Nieuwe Europese regels voor consumentenkrediet
De wijzigingen zijn vooral het gevolg van de omzetting van Richtlijn (EU) 2023/2225 van het Europees Parlement en de Raad van 18 oktober 2023 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2008/48/EG (CCD2) in Belgisch recht. België heeft die richtlijn omgezet met de wet van 20 juli 2026. De wet wijzigt vooral boek VII van het Wetboek van economisch recht (WER). We beperken ons in dit artikel tot de nieuwe regels voor consumentenkrediet. De regels voor hypothecair krediet laten we buiten beschouwing. De nieuwe regels gelden meestal alleen voor kredietaanvragen en kredietovereenkomsten van na 20 november 2026. Ze zijn dus normaal gezien niet van toepassing op lopende of oudere kredietovereenkomsten.
1.Buy Now Pay Later: meer kredieten vallen onder boek VII WER
Meer kredieten vallen voortaan onder boek VII van het Wetboek van economisch recht (WER). Twee uitzonderingen verdwijnen:
- De gedeeltelijke uitsluiting voor consumentenkredietovereenkomsten van 200 euro of minder verdwijnt.
- De volledige uitsluiting voor kredieten zonder interest die de consument binnen twee maanden moet terugbetalen en waarvoor geen of slechts beperkte kosten worden aangerekend verdwijnt. In 2026 bedragen die kosten maximaal 5,75 euro per maand.
Door die uitzonderingen te schrappen, wil de wetgever ook Buy Now Pay Later (BNPL) van aanbieders zoals Klarna en Riverty onder de kredietregels brengen. Ook bij die kredieten moet dan vooraf een kredietwaardigheidsonderzoek gebeuren.
1.1.Uitzonderingen wanneer de verkoper zelf krediet aanbiedt
Bepaalde vormen van krediet blijven volledig buiten de regels voor consumentenkrediet vallen. Het gaat onder meer om de volgende situaties waarin een verkoper of leverancier zelf krediet aanbiedt:
- Verkopers of leveranciers die zelf achterafbetalingen aanbieden, zonder tijdens het verkoopproces een derde kredietverstrekker in te schakelen. Ze rekenen geen rente of andere kosten aan en de consument betaalt het krediet binnen 50 dagen terug. Deze uitzondering geldt ook voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen die hun goederen of diensten via het internet verkopen. De verkoper of leverancier mag de openstaande vordering op de consument nadien aan een derde verkopen.
- Grote ondernemingen die in een fysieke winkel zelf achterafbetaling aanbieden. Voor die ondernemingen geldt diezelfde uitzondering en zijn dezelfde voorwaarden van toepassing.
- Grote ondernemingen die zelf achterafbetaling aanbieden bij verkoop op afstand via het internet. Voor hen zijn de voorwaarden strenger. Ook hier moet het krediet volledig kosteloos en zonder rente zijn. Maar de consument moet het binnen 14 dagen na de levering van de goederen of het verstrekken van de dienst terugbetalen. Bovendien mag de onderneming de vordering nadien niet aan een derde verkopen als ze buiten het toepassingsgebied van boek VII WER wil blijven.
De zogenaamde online marktplaatsen die zelf geen producten aanbieden maar enkel optreden als tussenpersoon tussen de verkoper of leverancier en de consument, kunnen deze uitzonderingen niet gebruiken. Dat kan alleen als ze achterafbetalingen aanbieden voor eigen producten en diensten. Bieden ze BNPL aan voor andermans producten? Dan zijn ze een derde en moeten ze voldoen aan de regels voor het verstrekken van krediet.
1.2.Kaarten met uitgestelde debitering
Daarnaast bestaat er een uitzondering voor krediet via een kaart met uitgestelde debitering.
Die uitzondering geldt onder de volgende voorwaarden:
- Een erkende krediet- of betalingsinstelling biedt de kaart aan, zonder interest.
- De consument moet het opgenomen krediet binnen 40 dagen terugbetalen.
- De instelling rekent voor dienstverlening geen of slechts beperkte kosten aan: in 2026 maximaal 5,75 euro per maand.
De wetgever wil de BNPL-aanbieders onder de algemene regels voor consumentenkrediet brengen. Toch blijven er uitzonderingen bestaan. Die uitzonderingen roepen de vraag op of aanbieders andere manieren zullen zoeken om BNPL buiten de kredietregels aan te bieden.
Grote verkopers kunnen zelf BNPL gaan aanbieden
Verkopers die zelf achterafbetaling aanbieden blijven onder bepaalde voorwaarden buiten de kredietregels. Zij moeten bijvoorbeeld geen kredietwaardigheidsonderzoek uitvoeren.
Zullen grote verkopers die vandaag samenwerken met een derde kredietverstrekker zoals Klarna, daardoor vaker zelf BNPL aanbieden? En zullen ze dat ook in hun fysieke winkels doen?
De nieuwe regelgeving sluit dat niet uit. In Nederland zijn er alvast signalen dat verkopers BNPL ook in fysieke winkels willen aanbieden.
Verkopers kunnen het risico op wanbetaling overdragen
Nadat een verkoper achterafbetaling heeft aangeboden, mag die in veel gevallen de openstaande vordering op een consument onmiddellijk aan een derde verkopen. Die derde neemt dan het risico op wanbetaling over, net zoals een BNPL-aanbieder dat doet als die krediet verstrekt voor een aankoop. Alleen grote ondernemingen die online BNPL aanbieden, mogen de vordering daarna niet verkopen als ze gebruik willen maken van de uitzondering op boek VII WER.
Krediet- en betalingsinstellingen kunnen kaarten aanbieden zonder kredietwaardigheidsonderzoek
Onder bepaalde voorwaarden vallen ook kaarten met uitgestelde debitering buiten de regels voor consumentenkrediet. Een krediet- of betalingsinstelling kan zo’n kaart dan aanbieden zonder eerst de kredietwaardigheid van de consument te onderzoeken.
Zullen BNPL-aanbieders die nog geen erkenning hebben, daarom een erkenning als krediet- of betalingsinstelling aanvragen? En zullen klassieke banken deze mogelijkheid vaker gebruiken om ook hun bestaande klanten BNPL aan te bieden?
2.Minderjarigen: een duidelijk verbod in boek VII WER
Sinds eind augustus 2026 is er een verbod op consumentenkredieten voor minderjarigen.
De kredietgever moet de leeftijd controleren van wie een consumentenkrediet aanvraagt. Dat kan met een erkend elektronisch identificatiemiddel, zoals de eID of itsme, of aan de hand van een identiteitskaart, verblijfsvergunning, paspoort of reisvergunning.
Het uitdrukkelijke verbod om consumentenkrediet aan minderjarigen te verstrekken is een goede zaak. Maar het geldt alleen voor kredietovereenkomsten die onder het toepassingsgebied van boek VII WER vallen. Voor andere vormen van achterafbetaling blijft de bescherming van minderjarigen minder duidelijk.
Minderjarigen kunnen nog steeds bepaalde overeenkomsten sluiten
Voor BNPL-regelingen die geen consumentenkrediet zijn, blijft in de eerste plaats artikel 5.41, 1° van het Burgerlijk Wetboek (BW) van belang. Bijvoorbeeld wanneer een verkoper zelf achterafbetaling aanbiedt onder de voorwaarden die we eerder bespraken.
Volgens dat artikel zijn minderjarigen onbekwaam om contracten aan te gaan. Dat klinkt duidelijk. Toch erkennen rechtspraak en rechtsleer dat minderjarigen wel degelijk rechtsgeldig overeenkomsten kunnen sluiten voor ‘gewone handelingen verbonden aan het dagelijks leven’, wanneer die als ‘daad van beheer’ kunnen worden beschouwd.
Vooral bij relatief kleine bedragen blijft hierover dus rechtsonzekerheid bestaan.
Een BNPL-overeenkomst is niet automatisch nietig
Wat als een minderjarige die in principe onbekwaam is, toch een BNPL-overeenkomst sluit die buiten de regels voor consumentenkrediet valt en duidelijk geen ‘gewone daad van beheer’ is? Dan is die overeenkomst slechts relatief nietig. Bij de beoordeling kan een eventuele benadeling een rol spelen, overeenkomstig artikel 5.43 BW.
3.Kredietwaardigheid: van proportionele controle tot AI
3.1.Het onderzoek moet proportioneel zijn
Artikel VII.69, §1 WER wordt herschreven. Dat artikel regelt welke informatie de kredietgever moet opvragen bij de kredietaanvrager en de eventuele persoonlijke zekerheidsteller om hun kredietwaardigheid te onderzoeken.
Een eerste opvallende wijziging is dat het onderzoek voortaan ‘evenredig met de aard, duur, waarde en risico’s van het krediet voor de consument’ moet zijn.
Dat lijkt te betekenen dat een kredietwaardigheidsonderzoek voor een klein bedrag minder uitgebreid mag zijn dan voor een groot bedrag. Toch mag de kredietgever de kredietwaardigheid niet uitsluitend beoordelen op basis van de kredietgeschiedenis van de consument zoals die in de Centrale voor kredieten aan particulieren staat. Het nieuwe artikel VII.77, §1, laatste lid WER sluit dat uit.
3.2.Welke interne en externe bronnen mag de kredietgever gebruiken?
Een tweede opvallende wijziging in het nieuwe artikel VII.69 WER is dat de kredietgever de nodige informatie niet alleen bij de kredietaanvrager of de persoonlijke zekerheidsteller moet verzamelen. De kredietgever mag ook relevante interne en externe bronnen gebruiken. De wet zegt daarover:
“Die informatie kan bestaan uit bewijs van inkomsten of andere terugbetalingsbronnen, informatie over financiële activa en passiva, of informatie over andere financiële verplichtingen (…) De informatie wordt verkregen uit relevante interne of externe bronnen, met inbegrip van de consument, en door de raadpleging van de Centrale (voor Kredieten aan Particulieren) (…) De informatie die overeenkomstig deze paragraaf is verkregen, wordt naar behoren geverifieerd, indien nodig door middel van raadpleging van onafhankelijk verifieerbare stukken.”
De interne bronnen moeten informatie bevatten die iets zegt over de kredietwaardigheid van de consument. Meestal zal het gaan om gegevens die de kredietgever al heeft uit een bestaande of vroegere klantenrelatie met de consument.
Over externe bronnen is minder duidelijkheid. De kredietgever mag geen informatie uit sociale media gebruiken. Welke andere relevante externe bronnen er naast de Centrale voor kredieten aan particulieren wel in aanmerking komen, verduidelijken de wet en de memorie van toelichting niet.
De Gegevensbeschermingsautoriteit stelde voor om die bronnen minstens te beperken ‘tot databanken die op rechtmatige wijze zijn opgezet en die betrouwbare en nauwkeurige informatie bevatten, in overeenstemming met de beginselen van gegevensbescherming’. De wetgever nam die beperking niet op.
Een mogelijke externe bron zijn de betaalgegevens over inkomsten en uitgaven op een zichtrekening die de consument bij een andere instelling heeft. Met toestemming van de consument kan de kredietgever er toegang toe krijgen volgens de principes van de Payment Services Directive (PSD2).
Hoe dan ook moet de kredietgever elke gebruikte interne of externe bron vermelden in het kredietdossier waarop hij het kredietwaardigheidsonderzoek baseert (artikel VII.77, §2 WER).
3.3.Geautomatiseerde beoordeling en het recht op menselijke tussenkomst
De aanpassingen aan artikel VII.69 WER moeten we samen lezen met de wijzigingen aan artikel VII.77 WER.
De wet houdt zo meer rekening met moderne ICT-technieken, algoritmes en artificiële intelligentie (AI). Die technologie kan de informatie van de consument en de gegevens uit andere interne en externe bronnen verder verwerken, ook zonder menselijke tussenkomst.
Het nieuwe artikel VII.77, §6 WER bepaalt welke rechten de kredietaanvrager of persoonlijke zekerheidsteller heeft als bij de beoordeling van zijn kredietwaardigheid geautomatiseerde processen zijn gebruikt:
Indien de kredietwaardigheidsbeoordeling het gebruik van geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens omvat, heeft de consument het recht om een menselijke tussenkomst van de kredietgever te vragen en te verkrijgen, bestaande uit het recht om:
1° de kredietgever om een duidelijke en begrijpelijke uitleg over de kredietwaardigheidsbeoordeling, met inbegrip van de logica en de risico's met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, evenals het belang en de gevolgen ervan voor de genomen beslissing, te vragen en deze te verkrijgen;
2° zijn eigen standpunt aan de kredietgever kenbaar te maken; en
3° te vragen om een herziening van de kredietwaardigheidsbeoordeling en de beslissing betreffende de kredietverlening door de kredietgever.
Die rechten gelden ook als de beoordeling van de kredietwaardigheid maar gedeeltelijk geautomatiseerd verloopt. In de praktijk zal de consument vermoedelijk vooral om een herziening vragen als het krediet of het stellen van een persoonlijke zekerheid is geweigerd.
Proportionaliteit kan leiden tot onzekerheid
Het is duidelijk dat een kredietgever de kredietwaardigheid niet uitsluitend mag beoordelen op basis van de gegevens uit de Centrale voor kredieten aan particulieren. Tegelijk mag de omvang van het onderzoek nu proportioneel zijn, en dus afhangen van de aard, duur en omvang van het krediet.
Die nieuwe proportionaliteit kan tot discussie en rechtsonzekerheid leiden. Bijvoorbeeld als achteraf moet worden beoordeeld of de kredietgever de kredietwaardigheid van de kredietaanvrager of persoonlijke zekerheidsteller voldoende heeft onderzocht.
Snellere processen zorgen voor minder bedenktijd bij een aankoop
Moderne technieken en artificiële intelligentie (AI) kunnen het kredietwaardigheidsonderzoek sterk versnellen. Ook de mogelijkheden van de PSD2 spelen daarbij een rol. Een consument kan toegang geven tot zijn zichtrekening en toestemming geven om de bewegingen op die rekening te analyseren. Zo kunnen onder meer zijn regelmatige inkomsten en uitgaven in kaart worden gebracht. Het hele kredietwaardigheidsonderzoek kan daardoor ‘zeer snel’ verlopen. Sommige aanbieders van ICT-systemen die hiervoor worden gebruikt, spreken zelfs van minder dan 3 seconden.
Vooral bij online aankopen kan daardoor een belangrijke rem op impulsaankopen op krediet wegvallen. Die rem bestaat bijvoorbeeld wel wanneer de consument eerst een foto of scan van zijn loonfiche of huurovereenkomst moet uploaden. Bij zo’n extra stap zou ongeveer 40% van de consumenten afhaken, net door het pauzemoment dat hierdoor ontstaat.
Meerdere zichtrekeningen kunnen een onvolledig of onjuist beeld geven
Een consument kan meerdere zichtrekeningen hebben, waarvan de ene een gunstiger financieel beeld geeft dan de andere. Ook binnen een huishouden kunnen gezinsleden verschillende individuele of gezamenlijke rekeningen hebben die een verschillend financieel beeld geven. Zulke situaties kunnen de beoordeling van de kredietwaardigheid op basis van rekeninggegevens bemoeilijken.
4.Bewijslast: meer verantwoordelijkheid voor de kredietgever
Voor bepaalde verplichtingen uit boek VII WER legt artikel VII.2, §4 WER de bewijslast uitdrukkelijk bij de kredietgever.
De kredietgever moet kunnen aantonen dat die aan de volgende verplichtingen voldeed:
- Via een kredietaanvraagformulier informatie opvragen over de financiële toestand van de kredietaanvrager en de persoonlijke zekerheidsteller.
- De Centrale voor kredieten aan particulieren raadplegen.
- Een kredietdossier bijhouden en op basis daarvan grondig onderzoeken of de kredietaanvrager en de persoonlijke zekerheidsteller kredietwaardig zijn en hun betalingsverplichtingen kunnen nakomen (artikelen VII.69 en VII.77 WER).
- Het krediet zoeken dat qua soort en bedrag het best aansluit bij de financiële situatie van de consument en het doel van het krediet (artikel VII.75 WER).
De aangepaste versie van artikel VII.2, §4 WER breidt de bewijslast van de kredietgever uit tot alle verplichtingen voor consumentenkrediet uit boek VII WER, titel 4, hoofdstuk 1. Het gaat dus niet meer alleen om de verplichtingen voordat de kredietovereenkomst tot stand komt. Ook voor alle verplichtingen nadat het krediet is verstrekt, ligt de bewijslast bij de kredietgever.
Op basis van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van van 18 december 2014 (C-449/13, CA Consumer Finance) gold deze uitgebreide bewijsplicht eigenlijk al meer dan 10 jaar. Het is een goede zaak dat die nu in de wet is verankerd.
5.Respijtmaatregelen: eerst oplossingen zoeken, dan invorderen
Volgens het vernieuwde artikel VII.105, §1 WER moet de kredietgever een redelijke mate van respijt geven voordat die een tenuitvoerleggingsprocedure start. De wet voorziet een aantal mogelijkheden.
- Eenmalig betalingsuitstel van maximaal 3 maanden
De kredietgever kan eenmalig een betalingsuitstel van maximaal drie maanden toestaan als de betalingsmoeilijkheden van de consument onverwacht, uitzonderlijk en tijdelijk zijn. Er hoeft nog geen betalingsachterstand te zijn.
De kredietgever moet het uitstel vastleggen in een bijvoegsel bij de bestaande kredietovereenkomst. Een volledig nieuw kredietwaardigheidsonderzoek is niet nodig, op voorwaarde dat het totale bedrag dat de consument door de wijziging moet betalen niet aanzienlijk stijgt.
- Een vervangende kredietovereenkomst
Als de consument de verplichtingen uit een lopende kredietovereenkomst niet nakomt, kan de kredietgever een vervangende kredietovereenkomst aanbieden. Die overeenkomst kan een rechtsvordering tot ingebrekestelling vermijden.
De nieuwe voorwaarden mogen niet ongunstiger zijn voor de consument dan die van de oorspronkelijke kredietovereenkomst. De kredietgever moet in dit geval wel een nieuw en volledig kredietwaardigheidsonderzoek uitvoeren (zie artikel VII.3, §3, 6° WER).
- Een lening op afbetaling
Bij een kredietopening van onbepaalde duur moet de vervangende kredietovereenkomst een lening op afbetaling zijn. Die lening heeft betrekking op het bedrag dat op de nulstellingsdag van de kredietopening nog verschuldigd is.
De debetrentevoet mag niet hoger liggen dan die van de oorspronkelijke kredietopening. De kredietgever mag ook geen bijkomende kosten aanrekenen en moet de bestaande kredietopening beëindigen. Tijdens de opzegperiode mag de consument de kredietopening niet meer kunnen gebruiken.
Het nieuwe artikel VII.105, §1 WER bepaalt ook wat niet kan. Als een kredietnemer betalingsmoeilijkheden heeft, mag de kredietgever geen bijkomend krediet aanbieden. Ook dossierkosten aanrekenen is verboden.
Op het eerste zicht is het nieuwe artikel VII.105, §1 WER een belangrijke stap vooruit. Ook kredietgevers moeten hun maatschappelijke verantwoordelijkheid opnemen in de strijd tegen schuldoverlast, zeker wanneer consumenten hun financiële verplichtingen niet meer kunnen nakomen. Respijtmaatregelen kunnen dan voorkomen dat problemen escaleren naar een tenuitvoerleggingsprocedure.
Maar de memorie van toelichting roept vragen op. Daaruit lijkt te volgen dat kredietgevers geen actieve rol moeten opnemen op een moment dat het er echt toe doet: wanneer consumenten en hun gezin daadwerkelijk financiële moeilijkheden ondervinden.
Kredietgevers moeten de consument wel informeren over de mogelijkheid van respijtmaatregelen. Dat moet onder meer in de kredietovereenkomst zelf gebeuren, tussen de vele andere clausules. Maar zodra er betalingsproblemen ontstaan, zouden kredietgevers volgens de memorie niet zelf actief mogen optreden. De toelichting stelt:
“De bepaling geldt onverminderd het verbod op leuren, wat betekent dat de consument om deze maatregel moet vragen. Indien de consument er om vraagt moet de kredietgever de mogelijkheid bieden in het beoogde geval.”
Dat roept vragen op. Een geïnformeerde consument is immers nog geen beschermde consument. In de praktijk zullen heel wat mensen geen respijtmaatregelen aanvragen omdat ze de mogelijkheid niet kennen of vergeten zijn.
Bovendien is het de vraag of die uitleg overeenstemt met de doelstelling van de Europese richtlijn van 18 oktober 2023 over consumentenkrediet (CCD2). Overweging 79 van de preambule stelt:
“Gelet op de aanzienlijke gevolgen van tenuitvoerleggingsprocedures voor kredietgevers, consumenten en mogelijkerwijs voor de financiële stabiliteit, is het noodzakelijk dat kredietgevers opkomende kredietrisico's in een vroeg stadium proactief aanpakken en de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat zij waar passend redelijk respijt betrachten alvorens een tenuitvoerleggingsprocedure te starten.”
Een passieve houding, waarbij de kredietgever het initiatief volledig bij de consument laat wanneer de problemen zich voordoen, lijkt moeilijk te verenigen met de Europese richtlijn.
6.Vroegtijdige opsporing en schuldadviesdiensten
Het nieuwe artikel VII.114/1 WER verplicht kredietgevers om consumenten die moeite hebben om hun financiële verplichtingen na te komen, vroegtijdig op te sporen. Kredietgevers moeten daarvoor procedures en een beleid hebben om die consumenten op te sporen. Ze mogen daarbij ook automatische processen gebruiken.
Kredietgevers moeten die consumenten doorverwijzen naar zogenaamde schuldadviesdiensten die gemakkelijk toegankelijk zijn. De memorie van toelichting verwijst daarbij naar OCMW’s en CAW’s. Zij hoeven daarvoor niet noodzakelijk als minnelijke schuldbemiddelaar op te treden.
Het is positief dat kredietgevers actief moeten opsporen welke kredietnemers moeilijkheden hebben om hun financiële verplichtingen na te komen. Idealiter zouden ze die klanten, wanneer dat passend is, ook zelf respijtmaatregelen moeten kunnen voorstellen. Maar zoals we hierboven bespraken, roept de Belgische invulling op dit punt vragen op.
Wanneer kredietgevers financiële moeilijkheden vaststellen, moeten ze de betrokken consumenten wel doorverwijzen naar zogenaamde schuldadviesdiensten. Die diensten kunnen hen onder meer informeren over mogelijke respijtmaatregelen. De contactgegevens van die diensten moeten ook in de kredietovereenkomst staan (nieuw artikel VII.78 WER).
In de praktijk is nog niet helemaal duidelijk welke organisaties in België als schuldadviesdienst kunnen optreden. De wet omschrijft alleen welke ondersteuning ze moeten bieden. Het gaat om
“individuele bijstand van technische, juridische of psychologische aard die wordt verleend door onafhankelijke professionals die met name geen kredietgevers, kredietbemiddelaars of kredietkopers of kredietservicers (…) ten behoeve van consumenten die moeilijkheden ondervinden of kunnen ondervinden bij het nakomen van hun financiële verplichtingen.” (nieuw artikel I.9, 98° WER).
Aan de kosten van die dienstverlening stelt de CCD2 voorwaarden:
“slechts tegen beperkte kosten (…) (die) in beginsel alleen de exploitatiekosten dekken en (…) geen onnodige belasting (mogen) vormen voor consumenten die moeilijkheden ondervinden of kunnen ondervinden om hun financiële verplichtingen na te komen.”
Daarom lijkt het aangewezen om overleg op te starten met de kredietsector en met de bestaande organisaties die deze rol kunnen of willen opnemen. Zoals gezegd vermeldt de memorie van toelichting de OCMW’s en CAW’s, maar niet noodzakelijk in hun rol als minnelijke schuldbemiddelaar.
Dat overleg kan ook duidelijkheid brengen over andere, praktische vragen: zijn er nog andere organisaties die als schuldadviesdienst kunnen optreden? Welke contactgegevens kunnen kredietgevers na 20 november 2026 het best wel of niet in nieuwe kredietovereenkomsten opnemen? Naar welke diensten zullen ze consumenten vanaf die datum concreet doorverwijzen? En zal de overheid deze nieuwe dienstverlening ook financieren?