Deze vraag bereikte onze helpdesk voor schuldbemiddelaars:
Mag de gerechtsdeurwaarder voor een schuld van partner A beslag leggen op het loon van partner B? En welk bedrag is beslagbaar op een gemeenschappelijke rekening?
Deze vragen raken aan de kern van het huwelijksvermogensrecht:
- Wie is aansprakelijk voor welke schulden?
- Wat mag er bij wie in beslag worden genomen?
- Hoe gebeurt dat?
We overlopen de regelgeving en beginnen met het onderscheid tussen samenwonenden en gehuwden.
Samenwonenden: eigen bezittingen, eigen schulden
Bij samenwonenden onderscheidt de wet feitelijk en wettelijk samenwonenden. Voor beide groepen gelden deze principes:
Elke partner heeft eigen bezittingen, eigen loon en dus ook eigen schulden.
- Schulden van partner A mag de schuldeiser enkel bij partner A invorderen.
- Doen partners samen een aankoop en maken ze daardoor schulden? Dan kunnen die schulden bij hen beiden ingevorderd worden
Gezinsschulden
Wettelijk samenwonenden zijn samen verantwoordelijk voor gezinsschulden, zoals huur of kosten voor de kinderen.
Beslag op inboedel
Bij een beslag op roerende goederen, gaat de gerechtsdeurwaarder ervan uit dat alles wat hij op het domicilieadres van de schuldenaar aantreft, in beslag genomen mag worden.
De gerechtsdeurwaarder kan dus spullen in beslag nemen die alleen van partner B zijn, ook al heeft die niets te maken met de schuld van partner A. Meer uitleg lees je in het artikel Inwonen en beslag op Jeugdrecht.be.
Gehuwden: gemeenschappelijk en eigen vermogen
Bij gehuwden geldt er een ander wettelijk kader dat een onderscheid maakt tussen:
- gemeenschappelijk vermogen
- gemeenschappelijke lasten
- gemeenschappelijke schulden
- en eigen schulden
Het geld en de eigendommen van beide echtgenoten vormen het gemeenschappelijk vermogen.
Voor gemeenschappelijke lasten — zoals kosten voor woning, kinderen, wagen, tv- en andere abonnementen — staan beide echtgenoten in.
De schulden die daaruit voortvloeien, zijn gemeenschappelijke schulden: een schuldeiser kan invorderen op het geld of de bezittingen van beide partners.
Burgerlijk Wetboek, art. 2.3.22, Gemeenschappelijke goederen
§ 1. Gemeenschappelijk zijn:
1° de inkomsten uit de beroepsbezigheden van elk van de echtgenoten, alle inkomsten of vergoedingen die ze vervangen of aanvullen, evenals de inkomsten uit openbare of particuliere mandaten; de opzeggingsvergoeding en andere uitkeringen waarop een echtgenoot wegens beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst gerechtigd is, voor het deel daarvan dat overeenstemt met de opzeggingstermijn die tijdens het stelsel loopt;
2° de vruchten, inkomsten, interesten van hun eigen goederen; .... enz”
Eigen schulden
Naast de gemeenschappelijke schulden staan de eigen schulden. Dit zijn de schulden die enkel aan één echtgenoot toebehoren.
Voorbeelden zijn:
- schulden van voor het huwelijk
- schulden uit een erfenis die aan één echtgenoot toekwam
- schulden gemaakt ten gunste van het eigen vermogen
- schulden uit een strafrechtelijke veroordeling
Eigen schulden kunnen in principe enkel ingevorderd worden bij de betrokken echtgenoot. Heeft die onvoldoende middelen om de schuld te betalen, dan kan de schuldeiser invorderen op de helft van het gemeenschappelijk vermogen.
Wie een huwelijkscontract heeft, kan andere afspraken hebben. Dat hangt af van de inhoud van de huwelijksovereenkomst: scheiding van goederen, volledige gemeenschap van goederen of een gemengde regeling. Schulden voor het huishouden of de kinderen blijven altijd ten laste van beide echtgenoten.
Belastingschulden en uitzonderingen
Wanneer een van de echtgenoten belastingschulden heeft, kan de fiscus die invorderen op de eigendommen van beide partners en op het gemeenschappelijk vermogen.
Dat kan ook bij feitelijke scheiding, als er sprake is van een voordeel gehaald uit die schuld, de zogenaamde netto-baten.
Er zijn drie uitzonderingen. Bij een eigen belastingschuld kan de fiscus geen beslag leggen op:
- de bezittingen die de andere echtgenoot bezat voor het huwelijk
- bezittingen die voortkomen uit een erfenis of een schenking van iemand anders dan de schuldenaar
- bezittingen die beschermd zijn in een huwelijkscontract
Bij feitelijk gescheiden echtgenoten is beslag slechts beperkt mogelijk.
Bij wie uit de echt gescheiden is, kunnen de schulden van de ex-echtgenoot die na het jaar van de echtscheiding zijn ontstaan, niet meer verhaald worden. De schulden die tijdens het huwelijk ontstonden, blijven wel invorderbaar.
De netto-baten van het eigen vermogen
Het Burgerlijk Wetboek, art. 2.3.26, Eigen schuld stelt:
§ 1. Met behoud van de toepassing van de paragrafen 2 tot 4, kan een eigen schuld van een van de echtgenoten slechts verhaald worden op diens eigen vermogen en inkomsten.
§ 2. De schulden die krachtens artikel 2.3.23 eigen zijn aan een van de echtgenoten, kunnen worden verhaald op het gemeenschappelijk vermogen, in zoverre het verrijkt is door opneming van eigen goederen van de schuldenaar.
Het bewijs van de verrijking, dat rust op de schuldeiser, kan worden geleverd door alle bewijsmiddelen.
§ 3. ...niet worden verhaald dan in zoverre het uit dat beroep of die handelingen voordeel heeft getrokken.
Het bewijs van het voordeel, dat rust op de schuldeiser, kan worden geleverd door alle bewijsmiddelen.
§ 4. Dezelfde regels gelden voor de schulden ontstaan uit een strafrechtelijke veroordeling van een van de echtgenoten of uit een onrechtmatige daad door hem begaan.
Indien het eigen vermogen van de echtgenoot-schuldenaar ontoereikend is, kunnen deze schulden bovendien op het gemeenschappelijk vermogen worden verhaald ten belope van de helft van zijn netto-baten.”
J. Waelkens merkt daarbij op — met een interessante, en nog steeds actuele noot in het Nieuw Juridisch Weekblad van 2017:
‘Schulden die eigen zijn aan een echtgenoot, kunnen verhaald worden op het gemeenschappelijk vermogen, in zoverre er verrijking van de gemeenschap is geweest, of de huwgemeenschap voordeel gehad heeft uit de feiten die tot de strafrechtelijke veroordeling geleid hebben. Het bewijs van de verrijking moet geleverd worden door de schuldeiser. De schuldeiser moet aantonen dat het misdrijf een gunstig effect heeft gehad in het voordeel van het gemeenschappelijk vermogen, bijvoorbeeld dat een echtgenoot verduisterd geld heeft gebruikt voor de betaling van huishoudelijke uitgaven. Als de schuldeiser in zijn bewijslast slaagt, is er verhaal mogelijk op alle gemeenschappelijke goederen ten belope van het voordeel.’
(J. Waelkens, Beslag op gemeenschappelijk vermogen van echtgenoten, NjW 2017, 18 januari, p. 37-38)
Beslag op het loon van gehuwden
Het loon is tot op zekere hoogte beschermd, volgens grenzen bepaald in het Gerechtelijk Wetboek. Het beslag ervan gebeurt bij de werkgever van de schuldenaar. De werkgever moet de gerechtsdeurwaarder melden hoeveel loon de werknemer ontvangt en het beslagbaar gedeelte doorstorten.
Wil men ook beslag leggen op het loon van de andere echtgenoot, dan is ook dat loon beschermd volgens de wettelijke grenzen. De twee beschermde bedragen worden individueel berekend.
Zo’n beslag op het loon van de andere echtgenoot kan alleen wanneer het eigen vermogen van de schuldenaar onvoldoende is en hoogstens voor de helft van de netto-baten.
Beslag op de gemeenschappelijke rekening
Wanneer beide lonen op een gemeenschappelijke rekening worden gestort, geldt er een bescherming van een maand op de bedragen die als loon worden beschouwd.
Als de schuldeiser een beslag onder derden legt bij de bank, dan is dat geen loonbeslag maar een beslag op de zicht- of spaarrekening van de schuldenaar(s). Zo’n beslag op de gemeenschappelijke rekening van de echtgenoten, ter betaling van de eigen schuld van A, kan alleen met respect voor de beperkte beslagbaarheid van lonen.
De bank moet binnen een bepaalde termijn een verklaring van derdebeslagene bezorgen aan de gerechtsdeurwaarder. Daarin vermeldt ze welke bedragen van het totale saldo op die rekening op een bepaalde datum als loon zijn gestort. Gedurende 30 dagen na de storting van dat loon geldt daarop immers een afnemende bescherming. (Gerechtelijk Wetboek, art. 1411bis)
Werd het derdenbeslag pas na die 30 dagen gelegd, dan zijn alle bedragen die nog op die gemeenschappelijke rekening staan niet langer beschermd loon. Vanaf dat moment worden de sommen beschouwd als vermengd tussen de echtgenoten en kan de gerechtsdeurwaarder eisen dat de helft van de netto-baten van het gemeenschappelijk vermogen wordt overgemaakt.
Kortom: wat er na die 30 dagen nog op de rekening staat, is voor de gerechtsdeurwaarder. Het is aan de echtgenoten om dan aan te tonen dat bepaalde bedragen ten ondrechte in beslag zijn genomen.
Let wel: ‘Het beslag op een bankrekening betreft uitsluitend het saldo ten tijde van het beslag. Op de bank rust op het tijdstip van het beslag geen andere verplichting dan tot afgifte van het saldo dat de rekening op dat ogenblik aangeeft.’ (Dirix en Broeckx, Beslag, APR, p. 458, nr. 728). ). Ook hier geldt dat het beschermde gedeelte buiten het beslag blijft. De bank moet dus enkel het saldo doorstorten dat overblijft na aftrek van het door de wet beschermde gedeelte.